Summary
Dutch to Spanish:   more detail...
  1. persoontjes:
  2. persoontje:
  3. persoon:
  4. Wiktionary:


Dutch

Detailed Translations for persoontjes from Dutch to Spanish

persoontjes:

persoontjes [znw.] noun

  1. persoontjes
    el hijos; el niños; el chiquitos; el niñitos; la tipejas

Translation Matrix for persoontjes:

NounRelated TranslationsOther Translations
chiquitos persoontjes broed; gebroed; kinderen; kindertjes; kindjes; kleine kinderen; kroost; nageslacht; nakomelingen; telgen
hijos persoontjes broed; broedsel; gebroed; kinderen; kroost; nageslacht; nakomelingen; telgen; zonen
niñitos persoontjes broed; gebroed; kinderen; kindertjes; kindjes; kleine kinderen; kroost; nageslacht; nakomelingen; telgen
niños persoontjes broed; gebroed; kinderen; kroost; nageslacht; nakomelingen; telgen
tipejas persoontjes

Related Words for "persoontjes":


persoontje:

persoontje [het ~] noun

  1. het persoontje
    el un servidor

Translation Matrix for persoontje:

NounRelated TranslationsOther Translations
un servidor persoontje

Related Words for "persoontje":


persoontjes form of persoon:

persoon [de ~ (m)] noun

  1. de persoon (wezen; individu; sterveling; mens)
    la persona; el género humano; el individuo; el hombre; el ser humano
  2. de persoon (mens; mensenkind; iemand; individu; wezen)
    la persona; el tipo; el personaje; el género humano; la personalidad; el ser humano; la figura; el hombre

Translation Matrix for persoon:

NounRelated TranslationsOther Translations
figura iemand; individu; mens; mensenkind; persoon; wezen aangezicht; aanzien; buitenkant; figuur; gedaante; gelaat; gestalte; individu; lichaamslijn; postuur; schim; silhouet; type; uiterlijk; verschijning; vertoon; voorkomen; vorm
género humano iemand; individu; mens; mensenkind; persoon; sterveling; wezen mensdom; mensheid
hombre iemand; individu; mens; mensenkind; persoon; sterveling; wezen gast; goser; gozer; heer; heerschap; heerser; kerel; knakker; knul; machthebber; man; manspersoon; soeverein; sujet; vent
individuo individu; mens; persoon; sterveling; wezen eenling; enkeling; individu; individualist
persona iemand; individu; mens; mensenkind; persoon; sterveling; wezen eenling; enkeling; individu
personaje iemand; individu; mens; mensenkind; persoon; wezen eenling; enkeling; figuur; gedaante; gestalte; individu; personage; postuur; type; vorm
personalidad iemand; individu; mens; mensenkind; persoon; wezen karakter; persoonlijkheid
ser humano iemand; individu; mens; mensenkind; persoon; sterveling; wezen kerel; man; manspersoon; mens; menselijk wezen; vent
tipo iemand; individu; mens; mensenkind; persoon; wezen creatuur; drukletter; eenling; enkeling; fatje; figuur; gast; gedaante; genre; gestalte; goser; gozer; heertje; individu; kerel; knakker; knul; man; openbare publicatie; personage; postuur; publicatie; publikatie; schepsel; slag; snuiter; soort; type; uitgave; uitgifte; vent; vogel; vorm; zetletter

Related Words for "persoon":


Synonyms for "persoon":


Antonyms for "persoon":


Related Definitions for "persoon":

  1. afzonderlijke mens1
    • uit hoeveel personen bestaat de groep?1
  2. vorm van het werkwoord die afhankelijk is van het onderwerp1
    • bij 'ik' gebruik je de eerste persoon enkelvoud1

Wiktionary Translations for persoon:

persoon
noun
  1. Menselijk individu
  2. Klasse van persoonlijk voornaamwoord

Cross Translation:
FromToVia
persoon persona Personin der Allgemeinsprache: ein Mensch
persoon persona Person — ein Rechtssubjekt- oder Wirtschaftssubjekt
persoon persona person — individual
persoon persona person — any individual or formal organization with standing before the courts
persoon persona person — linguistic category
persoon individuo individu — didact|fr entité autonome qui ne peut être ni partager ni diviser sans perdre les caractéristiques qui lui sont propres.
persoon personaje personnagepersonne ; en parlant principalement des hommes, avec une certaine idée de grandeur, d’autorité, d’importance sociale.
persoon persona personne — Être humain