Summary
Dutch to Spanish:   more detail...
  1. ontluizen:


Dutch

Detailed Translations for ontluizen from Dutch to Spanish

ontluizen:

ontluizen verb (ontluis, ontluist, ontluisde, ontluisden, ontluisd)

  1. ontluizen

Conjugations for ontluizen:

o.t.t.
  1. ontluis
  2. ontluist
  3. ontluist
  4. ontluizen
  5. ontluizen
  6. ontluizen
o.v.t.
  1. ontluisde
  2. ontluisde
  3. ontluisde
  4. ontluisden
  5. ontluisden
  6. ontluisden
v.t.t.
  1. heb ontluisd
  2. hebt ontluisd
  3. heeft ontluisd
  4. hebben ontluisd
  5. hebben ontluisd
  6. hebben ontluisd
v.v.t.
  1. had ontluisd
  2. had ontluisd
  3. had ontluisd
  4. hadden ontluisd
  5. hadden ontluisd
  6. hadden ontluisd
o.t.t.t.
  1. zal ontluizen
  2. zult ontluizen
  3. zal ontluizen
  4. zullen ontluizen
  5. zullen ontluizen
  6. zullen ontluizen
o.v.t.t.
  1. zou ontluizen
  2. zou ontluizen
  3. zou ontluizen
  4. zouden ontluizen
  5. zouden ontluizen
  6. zouden ontluizen
en verder
  1. ben ontluisd
  2. bent ontluisd
  3. is ontluisd
  4. zijn ontluisd
  5. zijn ontluisd
  6. zijn ontluisd
diversen
  1. ontluis!
  2. ontluist!
  3. ontluisd
  4. ontluizend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Translation Matrix for ontluizen:

VerbRelated TranslationsOther Translations
despiojar ontluizen
espulgar ontluizen vlooien; vlooien vangen