Summary
Dutch to French:   more detail...
  1. schoonheid:
  2. schoon:
  3. Wiktionary:


Dutch

Detailed Translations for schoonheid from Dutch to French

schoonheid:

schoonheid [de ~ (v)] noun

  1. de schoonheid (knapheid)
    la beauté

Translation Matrix for schoonheid:

NounRelated TranslationsOther Translations
beauté knapheid; pracht; schoonheid fraaiheid; mooiigheid

Related Words for "schoonheid":


Wiktionary Translations for schoonheid:

schoonheid
noun
  1. de hoedanigheid prachtig en aantrekkelijk te zijn
schoonheid
noun
  1. Qualité de ce qui est beau, de ce qui est esthétique à la perception

Cross Translation:
FromToVia
schoonheid beauté beauty — quality of pleasing appearance
schoonheid beauté beauty — beautiful female
schoonheid déesse goddess — adored or idealized woman
schoonheid canon looker — slang: good-looking one
schoonheid vénusté pulchritude — pulchritude
schoonheid beauté Schönheitkein Plural: die Eigenschaft, schön zu sein

schoon:


Translation Matrix for schoon:

NounRelated TranslationsOther Translations
beau knapperd
bien activa; bezit; bezittingen; eigendom; goederen; have
chouette domkop; dommerik; domoor; mot; steenuil; stommeling; sufferd; sufferdje; uilskuiken; woletend insekt
rangée cyclus; reeks; rijtje; serie; tijdkring
AdjectiveRelated TranslationsOther Translations
net hygienisch; kuis; proper; rein; schoon; zindelijk; zuiver aanschouwelijk; begrijpelijk; direct; duidelijk; eenduidig; fel; gekuist; gereinigd; hanig; helder; herkenbaar; keurig; netjes; netto; onbelast; ondubbelzinnig; onmiskenbaar; pinnig; proper; pure; recht door zee; regelrecht; scherp; sec; snibbig; vinnig; vlijmend; zorgvuldig; zuiver; zuivere
- rein
ModifierRelated TranslationsOther Translations
beau bevallig; knap; mooi; schoon; welgemaakt aanbiddelijk; aanlokkelijk; aantrekkelijk; attractief; begeerenswaardig; bekoorlijk; charmant; knap; leuk van uiterlijk; schattig; uitlokkend; uitnodigend; verleidelijk; verlokkend; verrukkelijk; verzoekend
bien bevallig; knap; mooi; schoon; welgemaakt aanlokkelijk; aardig; akkoord; behoorlijk; behoorlijke; braaf; deugdzaam; erg; gekuist; gereinigd; heerlijk; hemels; in hoge mate; in orde; kostelijk; lekker; leuk; lief; mee eens; netjes; overheerlijk; reuzelekker; smakelijk; sympathiek; verlokkend; verreweg; verrukkelijk; voorbeeldig; zalig; zoet; zuiver
chouette bevallig; knap; mooi; schoon; welgemaakt aangenaam; aardig; behaaglijk; dolletjes; enig; fijn; geestig; geinig; grappig; jofel; koddig; komiek; komisch; lachwekkend; leuk; lief; lollig; plezant; plezierig; prettig; reuzeleuk; sympathiek
décent proper; schoon; zindelijk adequaat; beschaafd; decent; deugdzaam; eerbaar; eerzaam; fatsoenlijk; gepast; geschikt; juist; keurig; kies; kuis; manierlijk; naar behoren; netjes; ordentelijk; passend; respectabel; welgemanierd; welopgevoed; welvoeglijk; zedig
hygiénique hygienisch; kuis; rein; schoon; zuiver hygiënisch; sanitair
hygiéniquement hygienisch; kuis; rein; schoon; zuiver hygiënisch
joli bevallig; knap; mooi; schoon; welgemaakt aanbiddelijk; aanlokkelijk; aantrekkelijk; aanvallig; aardig; alleraardigst; allerliefst; attractief; begeerenswaardig; bekoorlijk; bevallig; charmant; dottig; enig; fraai; frivool; goed ogend; hups; knap; leuk; leuk om te zien; leuk van uiterlijk; lichtzinnig; lief; losbandig; mooi; prettig; schattig; snoeperig; snoezig; sympathiek; uitlokkend; uitnodigend; verleidelijk; verlokkend; verrukkelijk; vertederend; verzoekend; welgevallig; wuft
nettement hygienisch; kuis; rein; schoon; zuiver
nettoyé proper; schoon; zuiver gepoetst; gepolijst; keurig; netjes; opgepoetst; proper; zorgvuldig
ordonné proper; schoon; zindelijk bevolen; georderd; gerangschikt; keurig; netjes; opgedragen; opgeruimd; ordelijk; ordelijk gemaakt; proper; zorgvuldig
propre hygienisch; kuis; net; proper; rein; schoon; zindelijk; zuiver beleefd; beschaafd; brandschoon; fatsoenlijk; gekuist; gemanierd; gereinigd; hygiënisch; karakteristiek; kenmerkend; keurig; kuis; maagdelijk; netjes; onbevlekt; onschuldig; proper; puur; rein; smetteloos; tekenend; typerend; typisch; vlekkeloos; voorkomend; welgemanierd; wellevend; welopgevoed; zorgvuldig; zuiver
proprement hygienisch; kuis; proper; rein; schoon; zuiver gekuist; gereinigd; hygiënisch; netjes; zuiver
pure hygienisch; kuis; rein; schoon; zuiver
purement hygienisch; kuis; rein; schoon; zuiver echt; gaaf; gekuist; kuis; louter; maagdelijk; onaangeraakt; onbevlekt; ongerept; onschuldig; onvervalst; puur; rein; virginaal; zuiver
rangée netjes; opgeruimd; ordelijk; schoon

Related Words for "schoon":


Synonyms for "schoon":


Antonyms for "schoon":


Related Definitions for "schoon":

  1. het loon nadat alle premies betaald zijn1
    • ik verdien 1400 gulden schoon1
  2. zonder stof, viezigheid of vlekken1
    • zijn je handen wel schoon?1
  3. mooi om te zien of te horen1
    • dat is schone muziek1

Wiktionary Translations for schoon:

schoon
Cross Translation:
FromToVia
schoon belle; beau beautiful — possessing charm and attractive
schoon net; propre clean — not dirty
schoon pur; propre sauber — nicht verschmutzt, frei von Unrat

Related Translations for schoonheid