Dutch

Detailed Translations for afgedankt from Dutch to French

afgedankt:

afgedankt adj

  1. afgedankt

Translation Matrix for afgedankt:

ModifierRelated TranslationsOther Translations
renvoyé afgedankt inrukkend

Wiktionary Translations for afgedankt:


Cross Translation:
FromToVia
afgedankt pensionné; licencié superannuated — retired or discarded due to age

afgedankt form of afdanken:

afdanken verb (dank af, dankt af, dankte af, dankten af, afgedankt)

  1. afdanken (van zijn positie verdrijven; afvloeien; congé geven; eruit gooien; aan de dijk zetten)
    licencier; congédier; débaucher; démettre; décharger; dégommer; mettre au rancart; jeter dehors; mettre sur le pavé
    • licencier verb (licencie, licencies, licencions, licenciez, )
    • congédier verb (congédie, congédies, congédions, congédiez, )
    • débaucher verb
    • démettre verb (démets, démet, démettons, démettez, )
    • décharger verb (décharge, décharges, déchargons, déchargez, )
    • dégommer verb (dégomme, dégommes, dégommons, dégommez, )
  2. afdanken (ecarteren)
    jeter; écarter; congédier; décharger; démettre
    • jeter verb (jette, jettes, jetons, jetez, )
    • écarter verb (écarte, écartes, écartons, écartez, )
    • congédier verb (congédie, congédies, congédions, congédiez, )
    • décharger verb (décharge, décharges, déchargons, déchargez, )
    • démettre verb (démets, démet, démettons, démettez, )

Conjugations for afdanken:

o.t.t.
  1. dank af
  2. dankt af
  3. dankt af
  4. danken af
  5. danken af
  6. danken af
o.v.t.
  1. dankte af
  2. dankte af
  3. dankte af
  4. dankten af
  5. dankten af
  6. dankten af
v.t.t.
  1. heb afgedankt
  2. hebt afgedankt
  3. heeft afgedankt
  4. hebben afgedankt
  5. hebben afgedankt
  6. hebben afgedankt
v.v.t.
  1. had afgedankt
  2. had afgedankt
  3. had afgedankt
  4. hadden afgedankt
  5. hadden afgedankt
  6. hadden afgedankt
o.t.t.t.
  1. zal afdanken
  2. zult afdanken
  3. zal afdanken
  4. zullen afdanken
  5. zullen afdanken
  6. zullen afdanken
o.v.t.t.
  1. zou afdanken
  2. zou afdanken
  3. zou afdanken
  4. zouden afdanken
  5. zouden afdanken
  6. zouden afdanken
diversen
  1. dank af!
  2. dankt af!
  3. afgedankt
  4. afdankende
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

afdanken [znw.] noun

  1. afdanken (uit de dienst ontslaan; ontslaan; afschaffen)
    le licenciement; le renvoi; le virement

Translation Matrix for afdanken:

NounRelated TranslationsOther Translations
licenciement afdanken; afschaffen; ontslaan; uit de dienst ontslaan ontslag
renvoi afdanken; afschaffen; ontslaan; uit de dienst ontslaan afdanking; bekendmaking; bericht; boer; boertje; boodschap; burp; congé; gewag; mededeling; melding; opgave; oprisping; referentie; relaas; tijding; uitspraak; vermelding; verwijzing; verwittiging
virement afdanken; afschaffen; ontslaan; uit de dienst ontslaan bankgiro; giro; opzwaai; overboeking; overmaking; overschrijving; zwenking
VerbRelated TranslationsOther Translations
congédier aan de dijk zetten; afdanken; afvloeien; congé geven; ecarteren; eruit gooien; van zijn positie verdrijven ontheffen; ontslaan; uitsturen; verzenden; vrijaf geven; vrijgeven; wegsturen; wegzenden
débaucher aan de dijk zetten; afdanken; afvloeien; congé geven; eruit gooien; van zijn positie verdrijven
décharger aan de dijk zetten; afdanken; afvloeien; congé geven; ecarteren; eruit gooien; van zijn positie verdrijven afladen; afmaken; afreageren; afscheiden; afschieten; afslachten; afvoeren; afvuren; bliksemen; dechargeren; doden; flitsen; iets uitladen; ledigen; leeggieten; leegmaken; leegstorten; lichten; lossen; lozen; luchten; moorden; neerhalen; neersabelen; neerschieten; om het leven brengen; ombrengen; onschuldig verklaren; ontheffen; ontladen; ontslaan; oplichten; schieten; schieten op; schoten lossen; uitgieten; uitladen; uitscheiden; uitschenken; uitstoten; uitsturen; uitwerpen; vermoorden; verzenden; vrijpleiten; vrijspreken; vuren; weerlichten; wegsturen; wegzenden; zuiveren
dégommer aan de dijk zetten; afdanken; afvloeien; congé geven; eruit gooien; van zijn positie verdrijven
démettre aan de dijk zetten; afdanken; afvloeien; congé geven; ecarteren; eruit gooien; van zijn positie verdrijven ontheffen; ontslaan; ontzetten; uit de macht ontzetten; uitsturen; verzenden; wegsturen; wegzenden
jeter afdanken; ecarteren afsmijten; afwerpen; eraf schoppen; gooien; kogelen; losgooien; loswerpen; naar beneden gooien; naar beneden werpen; neergooien; neerwerpen; omlaag werpen; omlaagwerpen; op de grond gooien; slingeren; smijten; toewerpen; verboemelen; verbrassen; verkopen; verkwanselen; verkwisten; verspillen; weggooien; wegsmijten
jeter dehors aan de dijk zetten; afdanken; afvloeien; congé geven; eruit gooien; van zijn positie verdrijven uitgooien; uitwerpen
licencier aan de dijk zetten; afdanken; afvloeien; congé geven; eruit gooien; van zijn positie verdrijven ontheffen; ontslaan; uitsturen; verzenden; wegsturen; wegzenden
mettre au rancart aan de dijk zetten; afdanken; afvloeien; congé geven; eruit gooien; van zijn positie verdrijven
mettre sur le pavé aan de dijk zetten; afdanken; afvloeien; congé geven; eruit gooien; van zijn positie verdrijven
écarter afdanken; ecarteren afhouden; afkeren; afnemen; afwenden; afweren; afzonderen; ecarteren; evacueren; leegruimen; lichten; ontruimen; opensperren; pareren; spreidbeweging; terughouden; verdedigen; verplaatsen; vervreemden; verwaarlozen; verweren; verwijderen; wegbrengen; wegcijferen; wegdoen; weghalen; wegnemen; wegwerken; weren