Summary
Dutch to Spanish:   more detail...
  1. bijsturen:
  2. Wiktionary:


Dutch

Detailed Translations for bijsturen from Dutch to Spanish

bijsturen:

bijsturen verb (stuur bij, stuurt bij, stuurde bij, stuurden bij, bijgestuurd)

  1. bijsturen

Conjugations for bijsturen:

o.t.t.
  1. stuur bij
  2. stuurt bij
  3. stuurt bij
  4. sturen bij
  5. sturen bij
  6. sturen bij
o.v.t.
  1. stuurde bij
  2. stuurde bij
  3. stuurde bij
  4. stuurden bij
  5. stuurden bij
  6. stuurden bij
v.t.t.
  1. heb bijgestuurd
  2. hebt bijgestuurd
  3. heeft bijgestuurd
  4. hebben bijgestuurd
  5. hebben bijgestuurd
  6. hebben bijgestuurd
v.v.t.
  1. had bijgestuurd
  2. had bijgestuurd
  3. had bijgestuurd
  4. hadden bijgestuurd
  5. hadden bijgestuurd
  6. hadden bijgestuurd
o.t.t.t.
  1. zal bijsturen
  2. zult bijsturen
  3. zal bijsturen
  4. zullen bijsturen
  5. zullen bijsturen
  6. zullen bijsturen
o.v.t.t.
  1. zou bijsturen
  2. zou bijsturen
  3. zou bijsturen
  4. zouden bijsturen
  5. zouden bijsturen
  6. zouden bijsturen
diversen
  1. stuur bij!
  2. stuurt bij!
  3. bijgestuurd
  4. bijsturend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Translation Matrix for bijsturen:

VerbRelated TranslationsOther Translations
corregir la dirección bijsturen

Wiktionary Translations for bijsturen:


Cross Translation:
FromToVia
bijsturen corregir; enmendar; rectificar korrigieren — (transitiv) einen Fehler in (von) etwas (jemandem) berichtigen, eine Korrektur durchführen
bijsturen corregir redresser — Traductions à trier suivant le sens